terug                                                                                                             

                                                               

1 Er is een Turkse bakker, een telefoonwinkel  en een supermarkt.
2 En jullie? 
3 Wij wonen naast een skatepark.
4 Beter! Wanneer ga je daarheen? 
5 lk ga daar elke zaterdag heen, en 's avonds.
6 We hebben geen  winkels in de buurt, dat is minder.
7 Ga jij vaak naar de winkels? 
8 lk niet, maar mijn moeder wel.
9 Ze doet elke zaterdag  boodschappen. 
10  lk doe altijd boodschappen met mijn vader.
11 Wij gaan met de auto naar een supermarkt buiten de stad.

verder