terug
Om onderstaande oefening te begrijpen moet je eerst deze woorden in je eigen taal  opzoeken:

1. letterlijk, 2. figuurlijk, 3. spreekwoorden, 4. uitdrukkingen.
Daarna luister (voor de juiste uitspraak!) en lees mee.

 

1. aan de hand zijn (gebeuren)

a. Wat kijk je verdrietig! Wat is er aan de hand?
b. Kijk eens wat een mensen! Wat zou er aan de hand zijn? 

                        2. de hand hebben in (meewerken aan) 

a. Wie  heeft dit gedaan?
b. Wie heeft hier de hand in gehad?

3. de hand houden aan (zorgen dat de regels nageleefd worden)

De politie gaat voortaan bij voetbalwedstrijden streng de hand houden aan de regels; men   wil geen rellen meer zoals bij vorige wedstrijden.

4. de hand leggen op (in bezit nemen)

De politie heeft de hand weten te leggen op een partij drugs die in een bootlading was  verborgen.

5. de hand lichten met (niet volgens de regels handelen; oneerlijk zijn)

De winkelier lichtte de hand met de prijsafspraken die de regering gemaakt had; hij verkocht melk onder de vastgestelde prijs.

nu deze oefening