verwijswoorden. 11


Verwijswoorden verwijzen vaak naar een groep woorden. Zo moet je een vraag erover ook beantwoorden.
Voorbeeld: Frank wil graag een nieuwe fiets, maar die is erg duur.
Die verwijst naar "een nieuwe fiets". Alleen met het woord fiets antwoorden is niet genoeg
Frank brengt kranten en folders rond.
Hij stopt ze heel vroeg in de bus. ( hij verwijst naar ) ( ze verwijst naar )
Op zaterdag werkt Frank bij de post.
Voor de post moet hij soms pakjes en dozen bezorgen. ( hij verwijst naar )
Als hij die heeft, geeft hij ze bij de mensen af. ( 2x hij verwijst naar ) ( ze verwijst naar )