Dans le magasin. ned-frans. zinnen

vocabulaire

Alle zinnen die hier onder elkaar staan heb je gehad in de tekst en de oefeningen hiervoor.
Als je er toch problemen mee hebt, moet je die oefeningen herhalen.
Het is donderdag.
Ik neem twee flessen melk.
Ik ga de bus nemen.
Ik neem een ei.
Ik ga mmet mevrouw Lebrun mee.
De kruidenier is in de winkel. (de kruidenier = de eigenaar van een kleine supermarkt/buurtwinkel )
Peter is een jongen.
Goeiendag.
Hoe laat is het?
Dat is een aardige jongen.
Het is vijf uur.
Vandaag neemt Peter een brood.
Ik neem een auto.
Er zijn veel mensen.