terug

   
    

dictee-simp. 01-01

1

 

Her boyfriend is called Tom.

Haar vriend heet Tom.

2

 

Where is your brother?

Waar is je broer?

3

 

Donít burn the dinner!

Laat het eten niet aanbranden!

4

 

Pease give me the biscuits.

Geef mij alsjeblieft de koekjes.

5

 

Rebecca wanted to catch the train.

Rebecca wilde de trein halen.

6

 

He was cheerful yesterday.

Gisteren was hij vrolijk

7

 

She draws a perfect circle.

Zij tekent een volmaakte cirkel.

8

 

Have you cleaned your teeth yet?

Heb jij je tanden al gepoetst?

9

 

Paul is very clever

Paul is erg  knap.

10

 

She wears modern clothes.

Zij draagt moderne kleren.