Module  2

Les 2 Toonhoogte -  de namen van de noten (1)


les 1
les 2
les 3
les 4
les 5

Toets 3

oefeningen

 

Elke noot op de notenbalk heeft zijn eigen naam. Zo weet de muzikant welke noot hij moet spelen of zingen. De eerste 7 letters van het alfabet (A, B, C, D, E, F, G) zijn de letters die gebruikt worden voor de notennamen. Na de G komt de A.

Je weet al dat de notenbalk vijf lijnen heeft en dat er noten door een lijn staan of tussen de lijnen.

Alle noten hebben een vaste plek op de notenbalk. Die vaste plek geeft de naam aan de noot.

OPDRACHT 3: Ga met je muis over de noten heen en beantwoord de vragen
Hoeveel verschillende letters worden gebruikt voor de notennamen ?
Welke letters  worden gebruikt voor de namen van de lijnnoten ?
Kijk naar de 4 tussennoten (van beneden naar boven). Welk Engels woord zie je ?
Welke notennamen komen 2x voor ?
Op welke lijn begint de krul van de vioolsleutel ?
Op welke lijn staat de noot g ?
Welke noot komt er na de g ?