Inleiding Middeleeuwen Renaissance Barok Klassiek Romantiek XXste eeuw  

 

-Middeleeuwen-

 
Algemeen
Gregoriaans
Meerstemmigheid
Wereldlijke muziek
Instrumenten
Stijlkenmerken
Oefenen
Quiz
 

 

Meerstemmigheid

Meerstemmigheid is in West-Europa in de Middeleeuwen tot ontwikkeling gekomen en mag gezien worden als een belangrijke bijdrage en mischien wel de belangrijkste van de westerse muziek aan de muziekgeschiedenis. 

In verschillende handschriften zijn theoretische verhandelingen over meerstemmigheid gevonden, maar over het uitvoeren ervan tussen 850 en 1100 weten we in feite niets. 

organum
De eerste meerstemmige stukken noemt men organum

  • De oudste vorm is het zogenaamde parallel organum, hierbij zingt men in parallelle kwarten, waarbij de bovenstem de oorspronkelijke melodie zingt en de onderstem, een kwart lager, de toegevoegde. 
  • Hierna volgde het zwevend organum, waar aan het begin van een organum  bijv. achtereenvolgens een prime, secunde en een terts gezongen wordt en daarna pas de parallelle kwarten/ kwinten, aan het einde gebeurde dan het omgekeerde. 
    Drie- en vierstemmigheid ontstaat door de stemmen een oktaaf hoger te verdubbelen (jongensstemmen). 
  • Bij het melismatisch organum wordt de oorspronkelijke (Gregoriaanse) melodie in lange noten gezongen (tenor) en de tegenstem zingt erboven een vrije stem (duplum). 
Ars antiqua (1150-1300)
Een eerste hoogtepunt in de ontwikkeling van de meerstemmigheid is in de de tweede helft van de twaalfde eeuw aan de Notre Dame te Parijs. 
Hier worden door anonieme componisten meerstemmige composities geschreven. 

Als componisten zijn Leoninus en Perotinus genoemd. Deze groep componisten behoren tot de Notre Dame school.

Hun composities bestaan uit 2-stemmige (Leoninus) en later 3-≠stemmige organa (Perotinus), welke tijdens feestelijke erediensten werden gezongen in afwisseling met de Gregoriaanse gezangen. Boven de lange tonen van de tenor worden nieuwe melodieŽn gecomponeerd zonder tekst. Deze kregen een regelmatige ritmische voortgang.

Hoe deze muziek ritmisch moet worden uitgevoerd is, zoals bij het Gregoriaans en de muziek van de troubadours, niet genoteerd, maar met een zekere vrijheid modale ritmiek toepassen lijkt het meest aannemelijk. 


Deze afbeelding geeft enig idee hoe de opstelling van de kerkzangers (Schola Cantorum) vaak was: vůůr een groot koorboek waarin alle stemmen genoteerd stonden.

Het organum raakte na 1250 geleidelijk uit de gratie. In de tweede helft van de 13e eeuw was het motet het belangrijkste polyfone compositietype.

 

Het motet
In de 13e eeuw ontwikkeld zich het motet
Dit genre speelt tot in de Renaissance een belangrijke rol. Het motet ontwikkeld zich vanuit het melismatisch organum toen nieuwe tekst aan het duplum (de vrije stem boven de tenor) werd gegeven. Het duplum werd motetus genoemd (waarschijnlijk afkomstig van het Franse woord "mot", wat "woord" betekent). Vervolgens werd de afgekorte term motet gebruikt als genre-aanduiding voor de hele compositie. Werd er een derde stem aan toegevoegd dan noemde men die het triplum.

Kenmerkend voor het motet is dat iedere stem een eigen tekst heeft. Wereldlijke en geestelijke teksten werden door elkaar heen gebruikt. De geestelijke tekst van de tenor werd steeds vaker door een instrument gespeeld. In het motet zijn de verschillende stemmen melodisch en ritmisch onafhankelijk van elkaar.

Het motet begint als een vorm van geestelijke muziek maar doordat de tekst van de toegevoegde stemmen (steeds vaker Frans i.p.v. Latijn) meer en meer een wereldlijke inhoud krijgt en de tenor steeds vaker instrumentaal wordt, verliest het steeds meer z'n kerkelijk karakter.

Luistervoorbeelden motet Ars antiqua:
 

In het eerste voorbeeld hoor je een driestemmige motet. De twee bovenstemmen (duplum en triplum) hebben elk een eigen tekst. Hierdoor is het niet mogelijk de tekst te volgen maar daar had de middeleeuwer geen problemen mee. 

Wanneer je luistert naar de bovenstemmen hebben ze steeds hetzelfde korte ritmische patroon. In dit motet wordt voornamelijk de 1e modus (lang-kort) gebruikt van de 6 ritmische modi. 
De maatvoering 3-delig en de melodie is opgebouwd uit korte melodische lijnen. De samenklanken die overheersen zijn: kwint, kwart en octaaf. 

Er wordt sterk in horizontale melodielijnen gedacht; er is veel minder aandacht voor de verticale samenklank. Voor onze oren klinken de samenklanken daarom af en toe wat vreemd, maar in de middeleeuwen was dit gewoon. 

 

In het tweede voorbeeld hoor je dezelfde kenmerken als bij het eerste. Alleen wordt in dit motet voornamelijk de 2e ritmische modus (kort-lang) gebruikt. 

 

Ars nova (14e eeuw)
De Ars nova is de eerste periode waarin componisten goed te identificeren zijn. Guillaume de Machaut (ca. 1300-1377) en Philippe de Vitry (ca. 1291-1361) waren twee belangrijke componisten. De componisten van de 14e eeuw schreven veel meer wereldse dan religieuze muziek.

De benaming Ars nova wijst op een aantal vernieuwingen die in de eerste plaats betrekking hadden op de techniek (ars) van de muziek. De voornaamste wijzigingen t.o.v. de Ars antiqua zijn:

  • Er kwam een maat-systeem in gebruik, dat de mogelijkheden t.o.v. vroeger sterk uitbreidde. De 2-delige maatindeling werd naast de 3-delige gebruikt.
    De modale ritmiek heeft zijn langste tijd gehad.
  • De duur van de noten kunnen steeds duidelijker worden vastgelegd, ook kleinere notenwaarden zijn als zelfstandige waarden aanvaard. 
    De componisten krijgen hierdoor steeds meer handvaten om hun muziek exacter te noteren. Het notenschrift gaat steeds meer op het huidige lijken.

In de 14e eeuw werden veel motetten gecomponeerd. Componisten zochten naar methoden om eenheid in een compositie te scheppen. De tenor, nu cantus firmus genoemd werd nog steeds ontleend aan Gregoriaanse gezangen. Door gebruik te maken van herhalingen (in de cantus firmus) en door voor de bovenstemmen langere melodieŽn te gebruiken (in de Ars antiqua muziek kwamen steeds terugkerende korte melodische lijnen voor) werd eenheid in de compositie bereikt. Het motet was veelal driestemmig, pas in de Renaissance werd een vierstemmige zetting gemeengoed.

Luistervoorbeelden motet Ars nova: Guillaume de Machaut
 

Het eerste luistervoorbeeld is ook hier een 3-stemmig motet waarvan de bovenstemmen een eigen Franse tekst hebben. 
Het verschil met de Ars antiqua ligt onder meer in de maatvoering, deze is tweedelig. 

Ook zijn de melodische lijnen en ritmische patronen langer geworden. De lange tonen in de cantus firmus worden afwisselend ook in de bovenstemmen gebruikt. Ook hoor je dat de twee bovenstemmen bepaalde (ritmische) patronen van elkaar overnemen. Dit alles zorgt voor een stuk samenhang binnen de compositie.

De samenklanken die overheersen zijn tertsen en sexten (niet langer kwint en kwart). Hierdoor klinkt de muziek van de Ars nova minder vreemd in onze oren dan die van de Ars antiqua. 

Bij het tweede luistervoorbeeld hoor je nog meer dan bij het eerste, het begin van een harmonisch gevoel. Een neiging naar volle samenklanken. Daarvoor werd alleen lineair gedacht (in horizontale melodielijnen, veel minder aandacht voor verticale samenklank).

 

Van eenstemmig naar meerstemmig. Van (parallel) organum naar (isoritmisch) motet. Deze ontwikkeling heeft honderden jaren geduurd maar zal uiteindelijk wel het verdere verloop van onze westerse kunstmuziek bepalen.

Luistervoorbeeld: overzicht ontwikkeling meerstemmigheid
 
Je hoort hier de ontwikkeling van de meerstemmigheid in 6 fragmenten aan je voorbijgaan. Een ontwikkeling van ruim 600 jaar. Van eenstemmig Gregoriaans tot en met het motet uit de Ars nova. Achtereenvolgens hoor je:
Gregoriaans gezang (eenstemmig) 

Parallel organum - een kwart onder de
 Gregoriaanse melodie (vox principalis)
 zingt een tweede stem parallel mee (de
 vox organalis). 

Melismatisch organum - de tweede
 stem verhuist naar boven en ontwikkeld
 zich melodisch en ritmisch vrijer t.o.v.
 de vox principalis. Deze gaat tenor
 heten en beweegt zich in lange tonen
 terwijl de bovenstem in een versierde
 stijl voortgaat. 

Notre Dame organum - boven de lange
 tonen van de tenor worden nieuwe
 melodieŽn gecomponeerd zonder tekst.
 Deze kregen een regelmatige ritmische
 voortgang.

Motet (Ars antiqua) - De bovenstemmen
 van het organum worden van tekst
 voorzien. Stemmen zijn melodisch en
 ritmisch onafhankelijk van elkaar. Nadruk
 ligt op horizontaal melodieverloop, niet op
 de samenklank.

Motet (Ars nova) - Twee- en driedelige
 maatvoering. Compositie krijgt meer  samenhang door uitwisseling
 van ritmische en melodische patronen door
 alle stemmen heen. Samenklanken als
 terts en sext komen veelvuldig voor. 
 Het begin van een harmonisch gevoel
 ontwikkeld zich.
vanaf ca. 600 

vanaf ca. 800



 
vanaf ca. 1100







vanaf ca. 1150





vanaf ca. 1250






vanaf ca. 1300