Uit een profielwerkstuk van Nienke Krook en Lisa Mol (dec 2000) over 'Hoofse Liefde'

De Troubadour

Rond 1100 kwam in Zuid-Franknijk de troubadourcultuur op, die enkele eeuwen later ook in Noord-Frankrijk en Duitsland navolging vond.
Het woord troubadour is afgeleid van het Provençaalse werkwoord trobar,dat zoveel betekent als 'vinden'. Een troubadour is dus een 'vinder'.
Er waren ook vrouwelijke troubadours die 'trobairitz' werden genoemd.

Het hoogtepunt van de troubadourcultuur lag in de periode tussen 1150 en 1250. Er zijn zo'n 500 troubadours bij naam bekend, waaronder slechts 20 vrouwen. Het gaat dus om een echte mannencultuur.
In vaak prachtig versierde manuscripten zijn ruim 2700 gedichten bewaard gebleven. Deze manuscripten. waarin ook de gedichten van 'vroege' troubadours zitten, zijn alleen wel allemaal van een relatief late datum: uit de tweede helft van de 13e eeuw of nog later. Hieruit moet worden geconcludeerd dat rond 1250 binnen de troubadourcultuur een overgang van mondelinge naar schriftelijke overlevering plaatsvond. Deze overgang valt overigens wel samen met andere veranderingen en verschuivingen binnen de troubadourcultuur: terwijl tot halverwege de 13e eeuw vooral ook de adel zelf gedichten maakte en zong, begon in de loop van de 13e eeuw het aandeel van de adel af te nemen. Het aandeel van ambtenaren (schrijfspecialisten), stadsbestuurders en burgers begon daarentegen te groeien.


Een troubadour en een dame

Het einde van de troubadourcultuur wordt vaak zo rond 1300 gelegd. In werkelijkheid was er van een vloeiende afwikkeling sprake, waarbij een vermenging van kerkelijke en wereldlijke muziekcultuur optrad. Het duidelijkst blijkt deze vermenging uit het toepassen van de meerstemmigheid, ontwikkeld binnen de kerkmuziek als versiering van het kerkgezang op de tot dan toe eenstemmige muziek van troubadours (en trouvères)

Het moderne beeld van de troubadour is dat van de enigszins buiten de samenleving staande zanger die, met een viool op zijn rug, van kasteel naar kasteel trekt en daar het adellijke publiek vermaakt met grappen, grollen, spot- en heldenliederen. Op basis van de 12e en 13e-eeuwse bronnen blijkt dat dit absoluut niet het geval was. Zulke rondtrekkende grappenmakers bestonden wel, maar worden dan meestal joglars (jongleurs, goochelaars, letterlijk: speellieden) genoemd. Deze joglars waren weliswaar populair aan de hoven, maar ze stonden niet erg hoog in aanzien. Met troubadours werd iets heel anders bedoeld. Zoals we hierboven al hebben laten zien was het, zeker tijdens de begin en bloeiperiode, vooral ook de adel zelf die als troubadour optrad. Troubadours vormden in dit opzicht dus niet echt een duidelijk afgebakende groep met een duidelijke beroepsfunctie binnen de hofsamenleving. iedereen kon in principe troubadour zijn. Het gaat dus niet zozeer om het beroep, maar meer om de nieuwe levenshouding die in de loop van de 11e eeuw in de gehele samenleving begon door te dringen.

Binnen de cultus van de troubadours zijn er twee stromingen in de literatuur te ontdekken; de niet-hoofse en de hoofse lyriek.

Niet hoofse lyriek
De oudst bekende troubadour is Willem de 9e (1071-1127) die graaf van Poitiers en hertog van Aquitanië was. Hij had meer aanzien en macht dan de koning van 'Frankrijk' zelf. Daarom kon hij het zich veroorloven af en toe niet helemaal hoofs te zijn in zijn woordspelingen. De onderwerpen van zijn gedichten zijn vaak schunnig en van de pure liefde, zonder een seksuele relatie, moest hij niets hebben.

Hij maakte over het algemeen gebruik van 3 soorten lyriek:

de 'gap', waarin de dichter met veel woorden loopt op te scheppen over zijn daden, vooral zijn daden in bed worden hierbij naar voren gebracht.
De 'casteis' een genre dat de wachters, die de vrouw, van haar minnaar moeten afschermen, belachelijk maakt
Het devinalh', een poëtisch raadsel.

De techniek die bij alledrie wordt gebruikt is het 'trobar clus', het door mooie zinnen en breedsprakigheid verdoezelen van de werkelijke betekenis van het gedicht. Feitelijk is het het vaak gebruik maken van dubbelzinnige toespelingen.

Hoofse lyriek
Het hoofse minnelied (canzo) haalt de vrouw naar de voorgrond. Zij speelt de hoofdrol in de gedichten

De Trouvères

Toen de Zuid-Franse fin'amors-ideologie in het noorden van Frankrijk nog niet bekend was, hadden de Noord-Franse dichters zelf ook al nagedacht over de liefde en de vrouw, en zich over de verhouding tussen die twee al veel vragen gesteld.

Het oudste gedicht dat van deze stroming bekend is, is Roncevaux (in de negentiende eeuw het Roelantslied genoemd). Dit is een zogenaamd chanson de geste, en is geschreven eind 11e eeuw. Maar er is in dit gedicht nog geen plaats voor de vrouw. Als Roelant sterft neemt hij tragisch ,afscheid van zijn zwaard, zijn keizer, maar zijn verloofde wordt en passant vergeten.

Maar latere gedichten van de trouvères zijn minder hard tegenover de vrouw. In de trilogie "prise d'Orange, Aliscans en Moniage Guillaume" uit "cycle de Guillaurne d'Orange" trouwt de Saraceense Oriabel uit liefde met Guillaume, en laat zich voor hem omdopen tot Gulbourg, en wordt zijn partner die hem raad geeft en voor hem zorgt. Als zij sterft wordt hun liefde nog eens extra onderstreept.

Dit is een voorbeeld van de 'emancipatie' van de vrouw destijds. Zij nam een steeds grotere plaats in, in verhalen en in het denken van de mannen. Zij was echter, in tegenstelling tot de denkbeelden van de troubadours, wel bereikbaar, een liefdespartner in plaats van een idool. Zij werd zelf verliefd op de ridder en als hij goede prestaties leverde en zich hoffelijk gedroeg gaf zij zichzelf aan hem.

In het Historica regum Brittaniae, geschreven in 1136 of 1137 door Geoffrey van Monouth, wordt het toernooi dat wordt gehouden om de pas gekroonde Arthur te huldigen beschreven. Toen de dames toekeken vanaf de borstwering van het kasteel raakten ze allemaal verliefd op de ridders die zo hun best deden om hun moed te tonen. Maar zij weigerden aan hen hun liefde te schenken voordat zij ten minste drie keer zo hun moed hadden laten zien. "Aldus gedroegen de dames zich kuis en hun liefde maakte de ridders edeler".

Het grote verschil met het zuiden was dus het resultaat van de liefde. In het zuiden was de liefde zelf het resultaat van het liefhebben en het verlangen. De hoofsheid was dus veel belangrijker dan in het noorden, waar de hoofsheid alleen maar een decor was waar de geliefden wel degelijk ontmoetingen hadden. Gingen de troubadours er duidelijk van uit dat liefde en hoofsheid automatisch met elkaar verbonden waren, de trouvères vonden dat liefde slechts een aspect van de hoofsheid was, die niet eens noodzakelijk was.

In de tweede helft van de twaalfde eeuw is de fin d'amors gedachte vanuit het zuiden naar het noorden over gewaaid. De kleindochter van Willem IX, Aliénor van Aquitanië, en vooral haar dochter Marie de Champagne, hebben daar veel aan bijgedragen. Aan het hof van Champagne verbleef onder andere Crétien de Troyes. Hij was de beroemde dichter die onder andere Lancelot en Perceval (of het verhaal van de Graal) zo rond 1160-1170) heeft geschreven. Hij week echter wel af van het ideaal van de Troubadours.

"Nooit heb ik gedronken van de drank
waardoor Tristan werd betoverd.
En toch, meer dan hem doet mij beminnen
een puur hart en een vaste wil "

De liefde wordt hier dus niet meer afgeschilderd als iets magisch, iets waar je door betoverd wordt, of je het nou wil of niet, en waar je je niet tegen verzetten kan (iets wat de troubadours wel graag geloofden), maar als iets wat door eigen inzet van hart en ziel bereikt wordt.
Het menselijke komt hier dus veel sterker naar voren dan bij het zuidelijke ideaal. Dit is ook de grootste bron van informatie voor de trouvères geweest, en er zijn eigenlijk maar weinig trouvères die zich aan het ideaal van de troubadours hebben gehouden.