Inleiding Middeleeuwen Renaissance Barok Klassiek Romantiek XXste eeuw  

 
Algemeen
Vormen en genres
Stijlkenmerken
Oefenen
Quiz

 

stijlkenmerken:
toonhoogte:
  • De melodiebouw wordt gekenmerkt door veel sequensmatige motiefherhalingen.  Zo kan een voortdurend voortgaande melodische lijn ontstaan: voortspinningsmelodiek. 
  • De melodie wordt bij de uitvoering versierd. Vaak staan bij noten versieringstekens, maar in veel gevallen mag de uitvoerder zelf versieringen toevoegen, maar volgens allerlei vaste regels en voorschriften. 
  • De toonsoorten zijn majeur en mineur geworden mede door invloed van het basso continuo. De kerktoonsoorten spelen geen rol meer van betekenis.
toonduur:
  • De muziek krijgt een duidelijke maatindeling en het ritme kan daarbij een sterk motorisch karakter krijgen. 
  • Daartegenover is vaak sprake van tempo rubato, waarbij de uitvoerder naar eigen smaak verbredingen en versnellingen toepast, wat niet is genoteerd.
dynamiek:
  • Dynamiek wordt bepaald door terrassendynamiek of echodynamiek. Crescendo en decrescendo komt zeer beperkt voor.
uitvoeringspraktijk:
  • Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking wil brengen. Deze kunnen van invloed zijn op de structuur van een werk. 
    De affecten zijn kwaadheid/ razernij, vreugde, vurige liefde, dodelijke droefheid, rust/vertrouwen.