Logo Luisterclub


Stijlkenmerken van de barok (±1600 - ±1750)

Lezing voor de Luisterclub Klassieke Muziek door Aukje van Dijk




Overzicht perioden in de kunst


±1500
±1600
±1750
±1830

Renaissance
vroege barok
Barok
rococo
Klassieke periode
Romantiek



Enkele personen

Componisten Schilders Schrijvers Architectuur
Monteverdi
Vivaldi
Rameau
Couperin
Lully
Telemann
J.S. Bach
Händel
Rubens
Rembrandt

kenmerken:

clair obscur
oudheid
  
  
Molière
Racine
  
  
  
  
  
  
  
gebogen lijnen
veel versieringen
clair obscur
Versailles
Lodewijk XIV
  
  
  
  



De 16e en 17e eeuw zijn eeuwen waarin er in Europa veel veranderde: de ontdekkingsreizen, herontdekking van de kunst en wetenschap van de oude Grieken en Romeinen. De bouwkunst van deze twee volkeren wordt mode. De rooms-katholieke kerk krijgt een scheuring te verwerken: het protestantisme ontstaat. De mensen worden zelfbewuster en gaan zich individualistischer gedragen. De eigen taal wordt steeds belangrijker (literatuur, muziek). Het is een periode waarin er veel oorlogen zijn: ruzie om godsdienst, erfenissen en landjepik.

In de Renaissance worden de regels van de kunst, dus ook de muziek vastgelegd. De muziek is nog vooral vocaal en bestemd voor de kerk. Het is polyfoon: meerstemmig, meerdere melodieën en/of teksten door elkaar en geen begeleiding door instrumenten. Aan het eind van een stijlperiode raken creatieve geesten uitgekeken op een bepaalde stijl en zij gaan experimenteren met nieuwe vormen. Zo is ook de barokmuziek ontstaan: geleidelijk vanuit de al bestaande muziek. Belangrijk voor de barok waren de volgende vormen:

het motet:
polyfone liederen met religieuze tekst
het madrigaal:
polyfone liederen met wereldlijke tekst, vaak bestemd voor de huiselijke kring

Tijdens de barok ontstaan:

de opera

Deze ontwikkelt zich vanuit de madrigalen. Polyfonie was niet geschikt. Homofonie, eenstemmige muziek ontwikkelt zich: de melodielijn is gemakkelijk te volgen. Instrumentale begeleiding wordt normaal. De opera is vooral belangrijk in Italië en Frankrijk (met ballet). Opera seria (thema uit de Oudheid, statisch) en opera buffo (volksopera). Monteverdi. Belcanto. Castraten.

het oratorium


Lang muziekstuk voor orkest, koor en solisten met religieuze tekst. Soort opera voor in de kerk, maar zonder decors en kostuums. Händel.

de cantate


Meestal korter dan een oratorium. Verder vergelijkbaar. J.S. Bach.

het concerto grosso


Het is kamermuziek voor enkele strijkers en soloinstrument(en) en bestaat uit 3 tot 5 delen.

de suite


Een aaneenschakeling van langzame en snelle dansen: allemande, courante, sarabande, gigue. Soms verder uitgebreid en vooraf gegaan door een prelude. De orkestsuite was bedoeld om uitgevoerd te worden door een groter gezelschap en is de voorloper van de symfonie.

de sonate


Een instrumentaal stuk: fantasie voor een solist. Soms heel kort, soms meer dan een half uur.

de fuga


Het thema vlucht van de ene stem naar de andere.


De uitvoerenden:

De orkesten waren nog klein, ongeveer 20 leden: strijkers, hobo, fagot en clavecimbel. De bespeler van het clavecimbel was meestal tegelijkertijd dirigent en zat te spelen/dirigeren. Door de toenemende populariteit van de opera werden de orkesten groter (pauken, houtblazers en koper).

Rond 1550 ontstond de viool. Altviool en cello volgden. De viool werd oorspronkelijk een ordinair instrument gevonden en heeft het gered dankzij zijn populariteit in Frankrijk.

De clavecimbel werd vaak gebruikt voor het basso continuo (of genummerde bas). De functie hiervan was het steunen van de hoofdmelodie en soms het samenbinden van de diverse delen van een stuk. Het werd steeds herhaald en was bepalend voor het tempo, ritme.

Veel stukken zijn geschreven voor de clavecimbel. Dit instrument heeft echter een grote beperking: je kunt een toon niet laten naklinken. Om dit op te vangen versierde men de muziek o.a. met trillers.

Versieringen kwamen ook veel voor in de aria's in opera's. De solisten konden hun technisch kunnen hier tonen.


Internet-pagina's over barok