Romeinse Bouwkunst

Romeinse bouwwerken treft men aan in alle landen die eertijds tot het Imperium behoorden (dus ook in onze streken). In tegenstelling met de Grieken gebruiken de Romeinen naast natuursteen vooral baksteen en zelfs beton. Beton en baksteen worden nadien met marmeren platen van diverse kleuren bekleed. Ook voor de zuilen gebruiken de bouwmeesters marmer.

Een nieuwe vondst: het kruisgewelf. Naast de architraafbouw passen de Romeinen ook de gewelfbouw (tongewelven) van de Etrusken toe. Maar hier vinden zij een nieuw element, namelijk het kruisgewelf, het door elkaar kruisen van twee tongewelven, met als gevolg dat grotere oppervlakten met minder steen kunnen worden overspannen. In het kruisgewelf wordt de last van het gewelf  verdeeld en door meerdere steunpunten opgevangen. Door de verbinding van architraaf- en gewelfbouw scheppen de Romeinen nieuwe bouwvormen.

De Romeinen nemen niet alleen veel van de Etrusken over, maar passen ook de drie Griekse bouworden toe, vooral de Corinthische. Op te merken valt, dat in de Romeinse gebouwen, vooral in de profane, de zuilen dikwijls hun dragende functie verliezen en een louter decoratieve rol krijgen om als halve zuilen een muur te versieren. Op die manier gebruiken de Romeinen de drie Griekse zuilen orden boven elkaar om bijvoorbeeld de verschillende verdiepingen te versieren. Een typisch voorbeeld hiervan is het Colosseum te Rome, met onderaan Dorische zuilen, daarboven Ionische en ten slotte Corinthische.

Nimes Maison Carree

In Rome wonen de patriciers in alleenstaande huizen, het gewone volk in insulae of huurkazernes. Het huistype uit de tijd van de republiek is het atriumhuis, opgetrokken rond een binnenplein met impluvium; in de keizertijd wordt er naar Grieks model een peristylium bijgevoegd, dit is  een zuilengang met kamers rond een tuin.

De insulae of huurkazernes, waarin het gewone volk in bekrompen omstandigheden huist, maken het grootste deel uit van de woonruimte in Rome. Deze insulae bereiken soms een hoogte van meer dan 20 meter, missen alle comfort en huiselijkheid, zijn in hout opgetrokken en bijgevolg zeer blootgesteld aan brandgevaar.

De rijke Romein beschouwt het als een erepunt op het platteland of in de provincies minstens één villa of landhuis te bezitten. In het begin zijn dit eenvoudige boerderijen, doch naderhand groeien ze uit tot luxevilla's met lusttuinen en badinrichtingen.

De basilicae, op de fora aangelegd, zijn rechthoekige gebouwen met drie tot vijf beuken, die dienst doen als beurzen en gerechtshoven. De buitenmuren worden met arcaden in verdiepingen ingedeeld. 

De thermen of badinrichtingen zijn reusachtige gebouwencomplexen met badgelegenheden, kleedkamers, sportpleinen, atletiekzalen, bibliotheken en leeszalen. De thermen zijn opgesmukt met kleurrijke fresco's en schitterende mozaïeken. In de 4e eeuw n.Chr. telt Rome mar liefst 11 thermen (o.m. van Diocletianus, van Caracalla).

Van de Romeinse theaters is dat van Orange een der best bewaarde. De Romeinen bouwen ook amfitheaters, met een volle kring als grondplan; ze dienen voornamelijk voor de gladiatorengevechten. Het amfitheater met zijn drie Griekse zuilen orden, naderhand het Colosseum genoemd is het meest bekende. Dit reusachtige gebouw (80 ingangen; 70.000 toeschouwers) is door zijn indrukwekkende verschijning het symbool gebleven van de macht van het Romeinse Imperium.

In de Romeinse tempels is de architraafbouw overheersend. Langs een trap komt men op een hoog en lang podium, dat langs een diepe voorhal naar de cella voert. Tegen de cella muren zijn over het algemeen halve zuilen aangebracht. Een voorbeeld hiervan is de tempel van Nimes ('Maison Carrée'). Men vindt ook ronde tempels, soms met een koepel, bijvoorbeeld het Pantheon te Rome, met binnenin nissen in de muren en cassetten in de koepel - twee typisch Romeinse elementen.

De vele triomfbogen uit de keizertijd, zoals die van Titus, van Septimus Severus en van Constantijn, zijn massieve monumenten, met één of meerdere doorgangen, ontstaan uit de in der haast opgebouwde erepoorten ter gelegenheid van een triomftocht. Zwaar monumentaal is de gevel, versierd met prachtige zuilen en fijn relief, dat de heldendaden en de overwinningen van de keizers verheerlijkt.

Daarnaast bestaan nog triomfzuilen zoals die van Trajanus en van Marcus Aurelius, die een spiraalvormig reiiéf ongeveer 30 m de hoogte inleiden. Voor Marcus Aurelius wordt als gedenkteken nog een ruiterstandbeeld opgericht.

Bij de grafmonumenten zijn vooral de mausolea te vermelden. Dit van Augustus op het Marsveld bij de Tiber werd in Etruskische stijl opgetrokken en bekroond met een aarden heuvel, waarop pijnbomen groeien. Het mausoleum van Hadrianus, in de middeleeuwen tot een soort burcht verbouwd, is thans bekend onder de naam Engelenburcht.

De burgerlijke bouwkunst van de Romeinen schept verder een hele reeks werken van sociaal belang en praktische noodzakelijkheid; vele stadspoorten, waarvan de Porta Nigra te Trier een prachtig voorbeeld is; aquaducten of waterleidingen, meesterlijke constructies, die over kilometers afstand het water naar de stad leiden en thans nog een pittoresk element van het landschap vormen; viaducten, en tenslotte bruggen. De indrukwekkende Pont du Gard bij Nimes is een der meesterwerken van de Romeinse ingenieurskunst. In haast alle burgerlijke bouwwerken was de boog- en gewelfbouw overheersend.

08-02-2004 digischool kunstvakken