De ramp met de Leliegracht.

Persoonlijk verslag van Joop Broekstra

Op donderdag 20 september 1973 werd ik gevraagd door Bemanningszaken van rederij Spliethoff om aan te monsteren op het motorschip Leliegracht. Het schip lag afgemeerd te Oostende. Eerlijk gezegd had ik nog niet veel zin om naar zee te gaan. Ik was vrijgezel, maar had in het voorjaar een relatie opgebouwd met een jonge vrouw die mij een totaal ander koers liet varen. Voorheen had ik altijd het gevoel dat ik thuis was gekomen als ik na een vakantie weer aan boord stapte, maar nu wilde ik graag wat langer aan de wal blijven. Als een oude schuur in de brand vliegt ( ik was 37jaar ) is er geen houden meer aan zegt men wel eens. Na een korte aflosreis op een ander schip van de maatschappij kwam ik in het begin van de zomer weer aan land. We besloten samen op vakantie te gaan naar Portugal om o.a. elkaar wat beter te leren kennen. We hadden samen een heel fijne vakantie, zoiets had ik nog niet eerder meegemaakt.

Aan een vakantie komt natuurlijk ook een einde. Zo meldde ik mij op 21 september als hoofdwerktuigkundige het MS Leliegracht in Oostende. De Kapitein had ik al verschillende malen ontmoet, want als schepen van dezelfde maatschappij in buitenlandse havens liggen, ga je bij elkaar op bezoek. Kapitein Jan van Hoven was een prima kerel en stond bekend als een bekwaam zeeman. Zijn vrouw was ook aan boord en zou deze reis meevaren. Wij bespraken eventuele bijzonderheden van het schip, zoals bunkers, lading enz. Ik had al op veel schepen van het zelfde type gevaren, dus dat gaf geen moeilijkheden. Na een grondige inspectieronde in de machinekamer bleek alles prima in orde te zijn, alleen de accubatterijen van de radiotelefonie waren in slechte staat. Na een telefoontje met de technische dienst werd mij beloofd dat in Antwerpen e.e.a geregeld zou worden. Laat in de middag kwam Roel aan boord. Hij was de nieuwe tweede machinist, of lievergezegd ‘motorman’, want hij was niet gediplomeerd. Roel was onderwijzer op een basisschool. "Hoe krijg je het in je hoofd om als schoolmeester op een schip te gaan varen", vroeg ik hem. Hij vertelde dat hij pas uit militaire dienst was afgezwaaid. Hij had bij de Huzaren van Bureel ervaring opgedaan met motoren. Hij was van mening dat hij, voordat hij oud en versleten uit het onderwijs zou komen, eerst eens even wat anders wilde doen. Ik merkte wel dat hij slim was, toen we de machinekamer inspecteerden en ik hem instructies gaf betreffende het wachtlopen. Hij had alles snel door. Vervolgens maakten we gezamenlijk kennis met stuurman Pentinga. De stuurman was een aflosser die soms als stuurman voer en soms ook wel als kapitein. We moesten wat lachen om hem, want ondanks dat hij het erg druk had vertelde hij het ene sterke verhaal na het ander. Rond het middaguur was het tijd voor een praatje en een drankje bij de kapitein. Op veel schepen is dat de gewoonte. Het is gezellig, maar ook belangrijk en je kunt het vergelijken met soort van werkbespreking. Gedurende de middag legde ik de motorman uit hoe de pompen werken en liet hem enkele ballasttanks in de dubbele bodem volpompen. Wij zouden tot maandag in Oostende blijven liggen en ik besloot aan het eind van de middag, toen de werkzaamheden gestopt waren, naar IJmuiden te reizen om op de 23e september mijn verjaardag aan land te vieren. Dat was iets nieuws voor mij, want voorgaande jaren ging het meestal onopgemerkt voorbij. Ik had Roel (de motorman) allerlei technische boeken en handleidingen gegeven en hem verzocht alles gedurende het weekeinde grondig door te nemen. Met de kapitein had ik de afspraak gemaakt om zondagavond weer aan boord te komen, zodat de motorman er op maandagochtend, als alles weer in bedrijf moest zijn, er niet alleen voor stond. Het werd een gezellig weekeinde.

Zondagmiddag vertrok ik weer naar Oostende en mijn verloofde ging mee want ze wilde ook wel eens op een schip kijken. Elly had bij Scheveningen Radio gewerkt als radiotelefoniste en wilde wel eens zien hoe het er op een zeeschip toeging. We maakten kennis met de overige bemanningsleden in de matrozen mess. Chef Da Silva , een vriendelijke man, en voortreffelijke kok, en een matroos genaamd Augusta (ik weet niet precies of dat zijn voor- of achternaam was ) waren afkomstig van de Kaapverdische eilanden. Verder waren er de matrozen: Francisco (een boom van een kerel uit de omgeving van Mafra), Paulo (een wat zwijgzaam zachtaardig man) en José Oliveira (een druk mannetje). Als hij met verlof in Portugal was sloeg hij zijn vrouw, tenminste als hij dronken was. Van dit feit werd ik lachend op de hoogte gebracht door de mannen. Ik heb ooit eens Portugees geleerd en zodoende kon ik toch aardig wat met hen praten. Met een hapje en een glas wijn werd het een prettige kennismaking. Ik merkte dat de Kaapverdianen soms jarenlang van huis waren. Vele van hen hadden een agrarisch bedrijfje en vertelden met weemoed hoe ze voorheen twee oogsten per jaar hadden, maar nu had het al jarenlang niet geregend en waren ze van armoede naar Nederland gekomen. Ik heb verschillende mensen gekend die spaarden voor een motorpomp om toch op een of andere manier hun akkertjes te bevloeien. Ze waren zeer spaarzaam en gingen bijna nooit aan land. Soms echter als de nood te hoog werd zochten ze in een havenplaats een vrouw op, maar waren daarna weer snel aan boord. Dikwijls vroegen ze mijn hulp voor het invullen van een formulier voor kinderbijslag e.d. Ik heb ook eens brieven geschreven naar een echtgenote van een Kaapverdische matroos die zijn hand had gebroken. Hij was al meer dan twee jaren van huis, maar wilde toch aan boord blijven met zijn hand in het gips. Hij dicteerde en ik schreef zijn brieven. Wat mij altijd aan deze voormalige boer doet terugdenken is de achting en eerbied voor zijn vrouw en kinderen die hij al zolang niet had gezien. Toen ik dit had opgeschreven bedacht ik dat velen van ons daar wel eens een voorbeeld aan konden nemen.

Op dinsdag vertrokken we in ballast naar Antwerpen. Mooi weer en geen vuiltje aan de lucht. In Antwerpen werd het pas druk. Ik heb nieuwe batterijen geïnstalleerd voor de radiotelefonie. Er werd een tevens een radiotelefonie inspectie uitgevoerd. De Lloyd’s surveyor voerde een inspectie uit voor het uitwateringcertificaat. De lading die we innamen bestond uit sodium carbonaat, dat ziet er uit als Jozo keukenzout. Tijdens het laden werden de ballasttanks leeg gepompt. Ik liep veel aan dek om met een peilstok te controleren of de ballasttanks werkelijk leeg waren. Deze werkzaamheden kon ik natuurkijk nog niet aan de motorman overlaten. Er werd ook dieselolie en drinkwater ingenomen. Toen we klaar waren met laden, constateerde ik dat het achterruim geheel gevuld was en in het voorruim lagen twee bergen die ze bezig waren te trimmen. Aanvankelijk zou Elly, speciaal op verzoek van mevr. Van Hoven , meevaren want dat leek haar heel gezellig, maar op het laatst ging dat toch niet door in verband met een andere afspraak. De scheepsmakelaar bracht haar naar het station in Antwerpen en daarna reisde ze naar huis.

Om 16.00 uur vertrokken we uit Antwerpen naar Pitea in Zweden. Ik heb na vertrek de wacht genomen tot middernacht. De motorman had ik geadviseerd te gaan rusten omdat ik hem zou roepen zodra we buitengaats waren. De weersverwachting zag er niet zo goed uit: harde wind, kracht 8 tot 9 Beaufort. Toen we buitengaats waren heb ik de motorman geroepen en toen hij op wacht kwam nog enkele instructies gegeven. Vervolgens ben ik nog even naar de brug gegaan voor een praatje en een sigaret. De kapitein wilde weten op welke schepen ik de laatste tijd had gevaren en we spraken nog wat over wederzijdse kennissen en mevr. Van Hoven vertelde het honderduit over haar zoon en dochter die nu thuis waren. De stuurman nam de wacht over en wij begaven ons naar onze hutten. De motor stond op volle kracht vooruit op 300 omwentelingen per minuut. Het zouden eigenlijk 320 omwentelingen per minuut moeten zijn, maar de drukvulgroep was enigszins vervuild. Dit alles heb ik medegedeeld aan de motorman, evenals te letten op de Simplex schroefasafdichting, want deze liet wat water door. Voorts heb ik de motorman medegedeeld dat hij bij bijzonderheden of inwerkingtreden van alarmen mij direct moest waarschuwen en ook als hij iets niet wist of twijfelde. Alles was normaal. Het schip slingerde of stampte nagenoeg niet. Om ongeveer 1.30 uur op 28 september 1973 ben ik gaan slapen.

Plotseling werd ik wakker doordat ik niet meer op mijn rug in bed lag maar achter tegen de wand. Het schip had een zware stuurboordslagzij. Ik heb geen schok of stoot gevoeld of gehoord. Ik ben toen direct uit mijn kooi gekropen, heb een broek en trui aangedaan en heb een zwemvest uit de kast gepakt. Hierna ben ik naar de machinekamer gegaan. Bij het verlaten van mijn hut – circa 30 seconden na het wakker worden – begon het algemeen alarm te loeien. Via de ingang machinekamer, sloependek aan bakboord, ben ik drie trappen naar beneden gegaan. De motor stond nog op volle kracht vooruit, doch liep minder omwentelingen dan 300; de motorman deelde mij mede dat hij de reserve smeeroliepomp had bijgezet. Ik heb de motorman direct naar boven gestuurd en heb hem gezegd zijn zwemvest te pakken en naar een sloep op het sloependek te gaan. Ik heb toen een ronde, kruipend en klimmend, door de machinekamer gemaakt en gezien dat alle ballastafsluiters dicht waren op de tanken. De hoofdinlaat ballast stuurboord en de hoofd in- en uitlaat hoofdmotor stuurboord en bakboord aan de huid stonden open. Verder zag ik het bilgewater tegen stuurboordzijde boven de vloerplaten aan slaan. Verder waren in de machinekamer geen bijzonderheden. Ik heb geen geluiden gehoord die doen denken aan stromend of inlopend water. Hierna ben ik weer naar boven geklauterd en via de ingang sloependek aan bakboord naar het stuurhuis gegaan. Alles ging zeer moeilijk wegens de zware slagzij. Ik weet niet hoeveel graden slagzij het schip had, maar het was duidelijk meer dan 45 graden. Ik zag dat het opblaasbare reddingsvlot achter het schip aangesleept werd. Deze was dus al door een van de opvarenden gelanceerd. Op de brug gekomen zag ik dat de stuurman het roer naar stuurboord draaide.Hiermee probeerde hij het schip recht te houden. De motor stond nog op volle kracht vooruit. Eerst heb ik aan de stuurman gevraagd waar de kapitein was. De stuurman antwoordde: “Dat weet ik niet”. Hierna heb ik gevraagd of er een Mayday was uitgezonden. De stuurman antwoordde bevestigend. Hierna ben ik doorgelopen naar de radiohut. Ik meen me te herinneren dat de stuurman op dat moment de motor met de afstandbediening stopzette. Bij de radio-installatie aangekomen zag ik dat de zender wel bijstond – het rode dopje op de alarmknop hing er naast, doch dat de zender niet op de noodgolf, 2182 kc. stond. Ik heb de zender op 2182 kc. afgestemd en ben Mayday gaan uitzenden. Tijdens het zenden heb ik de stuurman gevraagd wat de positie was. Deze antwoordde: “Dwars van IJmuiden”. Dit heb ik uitgezonden. Daar de ontvanger niet bijstond, heb ik geen antwoord gehoord. Uitgezonden heb ik: “Mayday, mayday, Nederlands motorschip “Leliegracht”, wij kapseizen, positie dwars van IJmuiden”. Direct daarop riep de stuurman: “Meester kom, we gaan van boord”. Hierna heb ik nog een keer het Mayday bericht uitgezonden. Daarna ben ik uit de radiohut met veel moeite naar het stuurhuis gekomen. De deur van het stuurhuis was dichtgevallen en ik had de grootste moeite om hem open te krijgen daar er allerlei dozen e.d. voorgeschoven waren. Nadat ik de deur geopend had viel ik in het stuurhuis naar de lage kant tegen een radiator. Vervolgens klauterde ik over de hellende vloer naar de bakboord om op het stuurhuisdek te komen. Ik keek naar beneden naar het sloependek en zag de motorman zich vastklemmen aan een van de bakboorddavits en heb hem toegeschreeuwd: "Roel, ga naar de dinghy!". Zelf ben ik via het railingwerk op het achterschip,naar de lage kant geklommen. Matroos Francisco hing aan de verschansing in het water. De Stuurman zag ik ook, hij probeerde de lijn van de dinghy te pakken, maar greep mis en hij dreef weg zonder dat hij een zwemvest aan had. Ik zag Francisco en de stuurman nog even en daarna waren ze verdwenen. De stuurboordsloep was er niet meer, zag ik. Daarna raakte ik zelf te water. De vanglijn van de dinghy was in de knoop geraakt onder de davits.Toen ik in het water lag kwam ik met mijn benen vast te zitten in een lus van de vanglijn. Dat waren angstige ogenblikken, want ik raakte zeer diep onder water toen de vrij hoge golven tegen het schip beukten.Als ik er aan terug denk voel ik nog de enorme druk op mijn oren. Het is merkwaardig wat voor gedachten er op zo’n moment door je hoofd gaan. "Stel je voor, dat ze zwanger is", dacht ik, "dan krijgt ze een kind zonder vader, net als ik geen vader heb". Mijn vader is gestorven even voordat ik geboren ben.

Plotseling kwam ik weer vrij en dreef naar boven en kreeg de vanglijn te pakken en heb me naar het vlot toegetrokken. In het vlot gekomen bleek dat matroos José Oliveira er reeds inzat. Hij was totaal in paniek, schreeuwde om een mes, om de vanglijn door te snijden. De overkapping van de dinghy was al danig gehavend. Aan de pilaar die de overkapping omhoog houdt bevindt zich normaal het mes, maar dat was nu niet te vinden. Ik begon het reddingspakket te openen en vond daar een blikopener, die ik om mijn hals heb gehangen. Toen ik opkeek zag ik de motorman in het vlot klauteren. Aan boord stonden nog tegen de railing een matroos en de kok. We hebben een aantal keren het vlot naar het schip toegetrokken en de beide opvarenden toegeroepen om te springen. Ze kwamen niet, ze klemden zich verstard van angst aan de railing vast en gaven ook geen antwoord. Bij elke poging om ze in vlot te krijgen rezen de davits als zwaarden uit het water op en hakten het vlot steeds meer kapot. Het schip kon elk moment zinken en ik besloot dat we weg van het schip moesten en heb de vanglijn van het vlot met de blikopener, waaraan een klein mesje zat, doorgesneden. Het vlot dreef weg van de Leliegracht. Ik hield mij bezig met het zoeken naar vuurpijlen en plotseling zag ik de toplichten van een schip en het leek zeer dichtbij. Ik was bang dat het schip op de Leliegracht zou lopen en zocht haastig verder om de fakkels of vuurpijlen te vinden. Toen ik weer opkeek was het schip verdwenen zonder dat het ons opgemerkt. Vervolgens heb ik een drijfanker uitgezet want ik wilde in de buurt van het schip blijven in verband met andere opvarenden die nog in zee dreven. Dit alles gebeurde tegen zes uur in de ochtend. De wind nam af en de zee werd kalmer. Dobberend achter het drijfanker voeren ons twee schepen voorbij. Ze merkten ons niet op. Dit kwam denkelijk omdat flarden van de tentbescherming rondwapperden, waardoor het lampje op het vlot niet goed zichtbaar was. Ik heb dat in orde gemaakt. Roel was met het hoosvat bezig en José was afwisselend in paniek of in gebed. Ik moest hem enkele keren hardhandig tot de orde roepen. Toen het laatste schip ons niet had opgemerkt gaf dat een totaal verlaten gevoel.

Omstreeks 8.00 uur werden we opgemerkt. Een schip draaide bij. Het was het Noorse schip ‘Gullstraum’. De bemanning gooide ons een werplijn toe, waarmee we het vlot tegen het schip aan trokken. José stond te springen van blijdschap en ik kon hem nog net vastgrijpen anders was hij alsnog in zee gevallen. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat hij niet kon zwemmen. Toen Roel en José via de touwladder aan boord klommen kwam er een Neptune overvliegen. Dat stelde mij een beetje gerust, denkend dat mijn Mayday wellicht toch was ontvangen. De twee jongens werden voorzien van droge kleding en wat te eten. Ikzelf ben direct naar de brug gegaan en heb aan de Kapitein gevraagd of hij het Mayday opnieuw wilde uitzenden, omdat er nog mensen in zee dreven.
Even later kwamen er helikopters van de Koninklijk Marine overvliegen en ik zag dat ze het gebied markeerden met een soort van rookfakkels. Daarna begonnen ze systematisch het gebied af te zoeken. Ik heb via de telefonie gesprekken gevoerd met de rederij en Scheveningen Radio en verslag gedaan van het gebeurde. Na droge kleren te hebben gekregen van de kapitein ben ik tot in de namiddag op de brug van de Gullstraum gebleven en heb de rest van de actie gevolgd Er dreven veel voorwerpen voorbij: houten luiken, enkele deuren, een omgeslagen sloep en een gele container, denkelijk de noodzender van de sloep. Stuurman Pentinga werd na meer dan vier uur in zee te hebben gedreven opgepikt door een helikopter en afgezet op HMS 'Groningen'. Hij had zich drijvende weten te houden door zijn zwemvest in zijn armen geklemd te houden.
De matrozen Francisco en Paulo werden tevens opgepikt door een helikopter en op HMS 'Groningen' afgezet. Deze informatie kreeg ik van de arts op HMS 'Groningen', die mij tevens vroeg de toestand van Roel en Jose in de gaten te houden in verband met de mogelijkheid van shock. Er waren meerdere schepen die aan de zoekoperatie deelnamen, hoorde ik op de noodgolf. Het reddingsvaartuig ‘Johanna Louisa heeft na aanwijzing van een helikopter het lichaam van Kapitein van Hoven opgepikt. Het lichaam van mevr. Van Hoven werd door de motorsleepboot ‘Stentor’ geborgen. Twee Marinemensen die eveneens een lijk in hun rubbervlot hadden werden ook door de ‘Sentor’ aan boord genomen. Dit was de kok Da Silva.

Laat in de middag heeft de ‘Gullstraum’ ons binnen de pieren van IJmuiden overgezet op een bootje van de Rijkshavendienst. Dit bootje was afgeladen met verslaggevers van diverse kranten. Wij werden aan land gebracht en naar een hotel in Oud IJmuiden vervoerd, waar ze een crisiscentrum hadden ingericht. Na ondervraging en het opmaken van een proces verbaal werd mij gevraagd om mee te gaan om de lijken te identificeren. De gevoelens die ik hierbij had kan ik moeilijk beschrijven.
Stuurman Pentinga en de matrozen Francisco en Paul werden de volgende dag door HMS 'Groningen' in Den Helder aan land gebracht. Matroos Augusta is nooit gevonden.

Begin november werden wij, overlevenden van de Leliegracht, gehoord door de Raad voor de Scheepvaart. Wij troffen elkaar in Amsterdam. Ik was bang dat José boos op mij zou zijn naar aanleiding van mijn wat ruwe behandeling op het vlot, toen hij in paniek was. Hij kwam mij echter lachend tegemoet en kuste mij op beide wangen. Zo zijn die zuiderlingen! Stuurman Pentinga heeft nadien nog wel weer even gevaren, maar werd ziek en is enkel jaren daarna gestorven. Motorman Roel heeft enkel jaren gevaren en is toen aan land gegaan. Ik ben hem uit het oog verloren. Francisco, Paulo en José heb ik nooit meer gezien.

Wat mijzelf betreft: Elly en ik zijn het jaar na de scheepsramp getrouwd, wij hebben twee jongens, die de deur al uit zijn, en ik heb nog drie jaar gevaren . Het ging met veel moeite, want ik had ten gevolge van de scheepsramp ernstige rugklachten gekregen. Na een hernia-operatie werd ik afgekeurd voor de zeevaart. Als afgekeurde zeeman zaten ze aan de wal niet op mij te wachten heb ik gemerkt. Ik heb een opleiding tot instrumentmaker gevolgd en ben vervolgens gaan studeren voor een onderwijsbevoegdheid. Ik ben tot september 1998 docent Mechanische Technieken geweest in het voortgezet onderwijs. Momenteel geef ik als Bedrijfstak Adviseur op vrijwillige basis technieklessen op basisscholen: de leukste baan die ik ooit gehad heb.

Dit was mijn verhaal, Ron. Hartelijk groeten, Joop Broekstra.