Puitaal
(Zoarces viviparus)
Biologische kalender

Lengte : 25 tot 30 cm.
Paaitijd : aug / sept
Aantal jongen : 50 tot 200

Anders dan de naam doet vermoeden is puitaal geen familielid van de aal. Hoewel hij net als de paling een slangachtig lichaam heeft, staat hij, als soort, dichter bij de kabeljauwachtigen. Soms word hij door zijn kleur en tekening ook wel eens aangezien voor een botervisje, maar vooral door de ligging van de ogen, die bij de puitaal meer boven op de kop liggen en een beetje uitsteken, is hij duidelijk te onderscheiden van de botervis.


Bij de puitaal begint de rugvin vlak achter de kop en loopt over de hele rug tot hij bijna overgaat in de staartvin. Het zelfde geld voor de anaalvin. Deze loopt van de staart tot de buik. Omdat de puitaal goed kan leven in brak water is hij vaak te vinden bij riviermondingen, de waddenzee en in grote brakke wateren zoals Oostvoorne. In de winter gaat hij op zoek naar diepere wateren. De puitaal voedt zich hoofdzakelijk met kreeftachtigen zoals vlokreeftjes en garnaaltjes die hij op de bodem bij elkaar scharrelt, maar ook kleine weekdieren staan op zijn menu.


Vrij bijzonder is het feit dat de puitaal levendbarend is. De larven groeien de eerste 4 tot 6 maanden in het lichaam van het vrouwtje, tot de rond 100, op dat moment al 4.5 cm grote jongen, in verschillende fases worden geboren. Als je in het najaar tot nov/dec zo'n zwangere puitaal tegenkomt is dat heel duidelijk te zien. De normaal slanke gestroomlijnde vis heeft dan een echte uitpuilende buik net als een zwanger zoogdier. Het dier lijkt er ook duidelijk last van te hebben en maakt een uitgebluste indruk.


Verspreidingsgebied
o.a. Zeeland
Foto's & tekst
Email: Ron Offermans