Helaas uw browser ondersteunt geen Javascript

 

1.Woordenlijstje bij schoolonderzoeken / examens aardrijkskunde

1.sociaal-geografisch -> verklaring vanuit de mensen in de ruimte

bijv. demografisch (aantallen mensen door geboorte, sterfte, migratie, huwelijk), economische factor (afzetmarkt, grondstoffenontginning, afstand, transport), gebiedsgeschiedenis

2.fysisch-geografisch -> verklaring vanuit de natuurkundige aardrijkskunde,

bijv. klimaat, bodem (de lagen bij elkaar), grondsoort (materiaal waaruit bodem is opgebouwd, grind, zand, klei, veen, lŲss, zavel), reliŽf, plantengroei, gebergteligging, hoogteligging, ligging t.o.v. zee.

- eolisch = door de wind- marien = door de zee

- fluviatiel = door rivier- organogeen = door planten / dieren

- glaciaal = door ijs - fluvioglaciaal = door smeltwater

3.geologisch -> onder het aardoppervlak

(breuken, bewegingen, aardlagen, ontstaansgeschiedenis)

4.morfologisch -> naar vorm

  • in steden: vorm wegen, vorm gebouwen (hoogbouw / laagbouw), vorm bebouwing (rechtlijnig / kleinschalig en afwisselend / eenzijdig uniform)
  • in landschap: geomorfologisch -> vormen aan het aardoppervlak (bergen, zeeŽn, rivieren, hoogtes, laagten, heuvels, stuwwallen, kreekruggen e.d.)

5.historisch-geografisch-> vanuit de geschiedenis, het verleden van het landschap

6.sociaal -> waarden en normen, groepsprocessen , voorzieningen, modern / traditioneel, individualisering, echtscheiding

7.economisch -> voortbrengen van goederen

handel, afstand/ transport, bestaansmiddelen, productiefactoren natuur, arbeid, kapitaal

8.bestaansmiddelen-> beroepen

  • primair (landbouw, mijnbouw, visserij)
  • secundair (industrie, ambacht)
  • tertiair (diensten, handel, transport, toerisme, winkels, kantoren, overheid)

9.cultuurhistorisch-> gebruiken in het verleden

bijvoorbeeld ontginningen, ruilverkavelingen, nederzettingstypen

10.sociaal-economisch-> betreft welvaart en armoede van bevolkingsgroepen rijk en arm, werkgelegenheid

 

2.Vier geografische werkwijzen in examens

 

1.      wisselen van analyseniveau en ruimtelijke schalen

o       hetzelfde verschijnsel op een ander schaalniveau,

bijv. vergelijk vergrijzing in Rotterdam met vergrijzing in Nederland

2.      confronteren dimensies

o       bijvoorbeeld politiek, sociaal, economisch, geografisch, geologisch, geomorfologisch, demografisch

3.      maken van vergelijkingen

o       overeenkomsten en verschillen tussen gebieden

4.      leggen van relaties

o       verticaal = relatie tussen verschijnselen binnen hetzelfde gebied

o       horizontaal = relaties tussen gebieden